Logo denoordwijker.nl
Foto:
Van Dam tot Wurft

Het eenzame jachthuis

Vroeger zocht ik met mijn vader bramen in het zuidelijk gedeelte van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Je kocht bij de camping van Moeder Koomen in het Langeveld een kaartje van 10 cent en zo trok je vandaar de duinen in. 

Een keer kwam ik met mijn vader terecht in een huis, dat midden in het duin stond. Kennelijk kende mijn vader de aldaar wonende jachtopzichter, want we mochten een poosje binnenkomen. Veel later probeerde ik dat huis nog eens te vinden, maar het was er niet meer. Ik vond alleen een oude waterpomp en wat stenen; dat was alles.

Rond 1900 waren deze duinen in het bezit van de graaf Van Limburg Stirum, die ze als jachtterrein beheerde. Zo liet hij daar in 1906 deze jachtopzichterswoning bouwen op een wat hoger gelegen duintje, vanwaar hij een groot deel van gebied kon overzien. Dit duingebied heet nog steeds 'Starrenbroek'. Broek betekent moeras. Zeker rond 1900 was deze duinvallei heel vochtig. De lagere gedeelten waren in de winter zo nat, dat je er zonder laarzen niet doorheen kon komen. De naam 'Starren' duidt op de vogelnaam stern. Er schijnen hier vroeger vele visdiefjes gebroed te hebben. 

In 1924 kwam hier jachtopzichter Janus van der Meulen te wonen en bleef daar tot 1949. Dat was ook de tijd dat de jacht werd afgebouwd. Rond 1950 werd het huis, dat toen gaan functie meer had, gesloopt. Daarvoor vonden er regelmatig jachtpartijen plaats, waarbij voornamelijk op fazanten werd geschoten. Deze fazanten werden speciaal voor de jacht gekweekt. Eieren lagen soms het en der in duin verspreid en werden vervolgens door de jachtopzichter verzameld om ze door kippen te laten uitbroeden.

Het beroep van jachtopzichter was zwaar. De jachtheren verlangden heel veel en als ze niet voldeden vlogen ze zo de laan uit. De stroperij was in die tijd heel intensief, zodat de jachtopzichters in het winterhalfjaar bijna elke nacht op pad waren. Overdag voerden ze fazanten, zodat van slapen niet veel terecht kwam. De lonen waren laag, maar ze hadden wel vrij wonen en vrij vlees. Het was heel eenzaam wonen en de naaste buren waren meer dan een kilometer verwijderd. Bovendien was dit huis slechts over zandige paden vanuit De Zilk of Noordwijkerhout te bereiken. 

Engel, de zoon van Janus van der Meulen, heeft ons het meest over Starrenbroek verteld. Veel van zijn verhalen zijn opgetekend in zijn boek “Stroopers” onder de naam van T. Starrenbroek. Als je al die verhalen mag geloven dan leek dat gebied meer op het wilde westen. Tal van stropers werden achternagezeten en regelmatig werden jachtopzieners beschoten. Als 12-jarige jongen trad hij in de voetsporen van zijn vader en mocht mee met Jhr. Quarlus van Ufford als hulpje bij de jacht. Engel mocht de spullen dragen. In het begin werd voornamelijk op Konijnen gejaagd, maar er liepen er zoveel rond, dat deze vorm van jacht nauwelijks een uitdaging betekende. Vandaar dat daarna de jacht op fazanten op gang kwam. Later is Engel verhuisd naar het oosten van het land waar hij in dienst trad bij de familie Ten Cate. Toen ik onlangs deze plek opnieuw bezocht moest ik nog denken aan alles. Zo was Prins Bernard een graag geziene gast, die hier na de jachtpartij zijn borrel kwam drinken in gezelschap van vele andere hoge heren. Er was niets meer over.

Meer berichten